Diese Präsentation wurde erfolgreich gemeldet.
Die SlideShare-Präsentation wird heruntergeladen. ×

Past simple powerpoint.pptx

Anzeige
Anzeige
Anzeige
Anzeige
Anzeige
Anzeige
Anzeige
Anzeige
Anzeige
Anzeige
Anzeige
Anzeige
Wird geladen in …3
×

Hier ansehen

1 von 14 Anzeige

Weitere Verwandte Inhalte

Aktuellste (20)

Anzeige

Past simple powerpoint.pptx

  1. 1. Welcome Back everyone! Les 1 Periode 2 Welcome back! Periode 2 les 1
  2. 2. Opletten Wat verwacht ik van jullie?
  3. 3. Lesdoel Verleden tijd Past simple
  4. 4. Past simple I (walk) to school yesterday
  5. 5. Past simple I walked to school yesterday
  6. 6. Past simple We (try) to call him last week
  7. 7. Past simple We tried to call him last week
  8. 8. Wanneer gebruik je de Past Simple? You use the past simple when something happened in the past and is finished. Vaak staat er een tijdsaanduiding in de zin. Bijvoorbeeld: yesterday, last week, this morning in 1980. The past simple is what we call in Dutch: de verleden tijd
  9. 9. Regelmatige werkwoorden infinitief + ed It rained yesterday. My friend crashed his car last weekend. I worked in Japan in 1980.
  10. 10. Uitzonderingen 1 Als een werkwoord eindigt op –e, dan komt je er alleen een –d achter: To live (leven) I lived in Canada in 2003. In de past simple wordt de laatste medeklinker verdubbeld als er één klinker voor staat: To plan (plannen) They planned her babyshower yesterday.
  11. 11. Uitzonderingen 2 Als een werkwoord eindigt op een medeklinker gevolgt door –y, dan komt er in de past simple –ied achter To carry (leven) I carried her bag to the car. To try (proberen) We tried to call her yesterday.
  12. 12. Ongelmatige werkwoorden Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en dat betekend dat ze geen ‘–ed’ krijgen maar hun eigen vorm hebben. To write -> wrote I wrote her a letter last week. To go -> went He went to Italy last year. To make -> made They made a very nice meal two days ago. Je moet deze uit je hoofd leren. Je gebruikt de 2e kolom in de lijst van onregelmatige werkwoorden. see- saw – seem come – came - come
  13. 13. Ontkennende zinnen did + not + infinitief You did not walk to school yesterday.
  14. 14. Vraagzinnen did + infinitief Did you walk to school yesterday?

×